Verrekijker 12-I: De inrichting van de IJsselmeerpolders en de rol van de theorie van Walter Christaller.

< Klik op de afbeelding om deze verrekijker te downloaden (pdf)

Verrekijker 12-II: Het persoonlijk leven van Walter Christaller.

< Klik op de afbeelding om deze verrekijker te downloaden (pdf)

Zoeken

Kies uw taal

12 - Dorpen inclusief Emmeloord: Het model van Christaller

De periode 1914 – 1942 bood volop tijd en gelegenheid om na te denken over de vorm en de inhoud van het nieuwe land. Unieke kansen vroegen om unieke oplossingen. Waar ter wereld vond men een gebied dat met zo veel vernuft, mankracht en geduld uit zee tevoorschijn was gekomen?

Voorkomen van mislukte kolonisatie

In venster 7 is beschreven hoeveel moeite en energie het Cornelis Lely kostte om zijn plannen tot droogmaking van de IJsselmeerpolders aangenomen te krijgen. Nadat dit gelukt was, boog Henri Nicolaas ter Veen (1883 – 1949) zich over het beoogde nieuwe land. Hij promoveerde met zijn proefschrift 'De Haarlemmermeer als kolonisatiegebied'. In zijn proefschrift beweerde hij dat de ‘besten' waren overgebleven, maar hij beschreef ook overtuigend dat dit gepaard was gegaan met veel problemen en slachtoffers. Het in cultuur brengen van een drooggevallen, maar altijd nog drassige wildernis in een ruw spel van maatschappelijke krachten was volgens hem niet nodig geweest (zie ook venster 9). De boodschap van zijn onderzoek was dan ook dat in de Zuiderzeepolders de staat het gehele kolonisatieproces diende te begeleiden en daarbij zelfs de selectie van de kolonisten ter hand moest nemen. Ook na de Tweede Wereldoorlog – de maakbaarheidgedachte was sterker geworden, de verzuiling stond nog rechtovereind - wilde de overheid niet alleen een stempel drukken op de infrastructuur, maar ook op de sociale structuur.

Walter Christaller

In Duitsland was het Walter Christaller (1893 – 1969) die de centrale plaatsentheorie ontwikkelde. Zijn theorie is omstreeks 1933 afgeleid van een historisch vestigingspatroon in Zuid-Duitse stadjes. Daar bleken regelmatige afstanden tussen de woningkernen te zijn gegroeid. Dagelijkse behoeften als brood en groenten waren in elke kern te verkrijgen, maar voor meubels en kleding bleek dat er verder gereisd moest worden, naar de dichtstbijzijnde grotere kern.

Als centrum voor het geheel van de polder werd in Emmeloord op De Deel (centrale ruimte) in de jaren 1955-1958 de Poldertoren (watertoren) gebouwd, dit als ruimtelijk ‘brandpunt’ en traditioneel silhouet van Emmeloord. De toren overheerst in hoogte alle kerktorens en ondervangt zo het probleem welke van de kerktorens dominant zou zijn.

De bewoners van de jonge Noordoostpolder kwamen uit verschillende delen van ons land. Dat bleef nog lang goed herkenbaar. Op de markt in Emmeloord keek in 1951 niemand ervan op dat de koopsters in klederdracht de waren bekeken. Deze dames lieten in ieder geval zien een Zeeuwse achtergrond te hebben.

Walter Christallers centrale plaatsentheorie toegepast bij de planning van de plaatsen in de Noordoostpolder: (a) geometrisch diagram van het voorgestelde vestigingspatroon; (b) plan van vijf nieuwe plaatsen rond Emmeloord, (c) het gereviseerde en uitgevoerde plan.

De centrale plaatsentheorie was al in 1941 toegepast in enkele gebieden van het door de Duitsers bezette West-Polen. Deze waarneming legde hij in een hexagonaal (zeshoekig) systeem vast. Het dorpenpatroon in de Noordoostpolder is direct aan dit systeem ontleend. Hiermee nam het polderplan afstand van de tot dan toe gebruikelijke theorie dat nederzettingen zich ontwikkelen op kruispunten van water en wegen. 
De Directie ging uit van één centrale plaats (Emmeloord) en verbindingswegen naar tien kleinere dorpen op fietsafstand. De dorpen: Bant, Creil, Ens, Espel, Kraggenburg, Luttelgeest, Marknesse, Nagele, Rutten en Tollebeek, zijn door een ringweg met elkaar verbonden. Een van de Nederlandse pioniers op dit terrein was Van Lohuizen (1890 – 1956). Hij en zijn medewerkers becijferden de demografische en maatschappelijke ontwikkelingen en vergeleken die met de andere regio’s. Dankzij hun berekeningen en onderzoeken konden richtlijnen worden opgesteld voor de dichtheid, positionering en ontwikkeling van de landbouw, de bedrijven, winkels, aantal woningen, kerken etc. 
 
Eerste huizen in Emmeloord, 1943.

Voor het zover was…

Er heeft een hele discussie plaatsgevonden over de indeling van het nieuwe gebied. Uitgangspunt was aanvankelijk een centrale kern met 5 dorpen eromheen en 25 tot 45 gehuchten (clusters van 10 tot 15 woningen). In die gehuchten zouden dan geen voorzieningen aanwezig zijn. Dit bleek onaanvaardbaar te zijn: de afstand tot de scholen en de primaire voorzieningen was te groot. De centrale kern Emmeloord, met een verzorgend karakter, moest een bovenlokale functie krijgen met allerlei voorzieningen. Het kreeg op den duur zelfs een stuwende functie. Het Dorpenplan zoals dat uiteindelijk is uitgevoerd is in 1946 vastgesteld.

Eerste bewoners betrekken hun woning, 1943.

Deze vruchtbare tuinen in Emmeloord zijn ruim en zeer geschikt als moestuin.

Emmeloord 

Veel aandacht is besteed aan de inrichting van Emmeloord. Evenals voor de dorpen is er gekozen voor een centrale ruimte met daaromheen de woonwijken en de voorzieningen. Maar het bijzondere is dat iedere architect er toch weer een eigen invulling aan heeft gegeven. Dat maakt het geheel erg boeiend.

 De Poldertoren in aanbouw, 23 januari 1958.

Plaatsing van de windwijzer op de poldertoren, 1959.

De dorpen ontworpen

Alle dorpen (uitzondering is Nagele) inclusief Emmeloord zijn ontworpen door ontwerpers die behoren tot de Delftse School van prof. dr. Granpré Molière. Hij was zeer traditioneel ingesteld. Nagele daarentegen werd ontworpen door de architecten die behoorden tot collectieven als ‘De 8’ en ‘De Opbouw’. Bekende architecten als Gerrit Rietveld, Mien Ruys en Aldo van Eyck drukten in de sfeer van het Nieuwe Bouwen hun stempel op dit dorp (zie ook venster 15). Door de veranderende omstandigheden (mechanisatie en bevolkingssamenstelling) en voortschrijdend inzicht konden de plannen rond Emmeloord gemakkelijk aangepast worden. Emmeloord groeide uit tot een veelzijdig streekcentrum. Dit ging ten koste van de dorpen. Met name Marknesse en Ens, die als eerste dorpen gebouwd werden op gunstige plekken ten opzichte van het oude land, werden door een centraal vestigingsbeleid ten gunste van Emmeloord in hun groei geremd. In 2011 werd het Dorps-DNA in kaart gebracht.

 Overzichtskaartje van Noordoostpolder "in voorbereiding".

Urkerland

In 1944 werd de officiële naam: Urkerland. Alternatieven als Schokkerwaard, Urkerwaard en Nieuw Schokland haalden het niet. De Noordoostelijke Polder was een werknaam die voorkomt in het Plan Lely uit 1891. Na de Tweede Wereldoorlog werd die naam samengetrokken tot Noordoostpolder met als afkorting NOP. Deze afkorting stond toen ook voor Nederlands Onderduikers Paradijs (zie venster 10).
 
Waterkaart van het Landschap Vollenhove en Urkerland uit 1946. In 1948 zou Urkerland omgedoopt worden in Noordoostpolder.

In 1948 heeft de minister de naam Urkerland weer ingetrokken. Gezien de grote rol die de naam Noordoostpolder in de bezettingstijd had gespeeld, werd dat de officiële naam. Dit besluit werd opgenomen in de Staatscourant van 20 augustus 1948. En nu, in de 21e eeuw? Het inwonertal is boven de 45.000 gekomen, kerken zijn musea of expositieruimte geworden, scholen samengegaan, het aantal landbouwbedrijven is meer dan gehalveerd, dienstverlening bijkans de belangrijkste bron van arbeid, oorspronkelijke woningbouw her en der verdwenen, terwijl het centrum van Emmeloord is gemoderniseerd en De Deel zal worden bebouwd. 

Nota Belvedère

In de zomer van 1999 is op initiatief van de ministeries van OC&W, LNV, VROM en V&W de beleidsnota Belvedère uitgebracht. Hiermee wilde men een omslag in het denken over cultuurhistorie tot stand brengen. Behoud door ontwikkeling, is hierbij het credo. In deze nota staat centraal de instandhouding, versterking en verdere ontwikkeling van de cultuurhistorische identiteit van een gebied of stad door een betere benutting van cultuurhistorische kwaliteiten bij ruimtelijke aanpassingen. De Noordoostpolder wordt in deze nota genoemd vanwege het nog steeds herkenbare planningsconcept en de kwaliteit van de uitwerking. Op basis daarvan maakte dit gebied zelfs kans op de erkenning als werelderfgoed door Unesco! De gemeenteraad besloot echter op voorhand van die erkenning af te zien.

Film: "Ga je mee" - Winnende inzending voor prijsvraag "Buitengewoon Noordoostpolder" door Rob Bredewout, 2011.