Bestellen 'Boek 75 jaar droog' (2de druk!)

Boek Voorkant

Nieuwsbrief augustus

nieuwsbrief

Zoeken

Kies uw taal

20 - Culturele verscheidenheid en identiteit: de polder als smeltkroes

In de Noordoostpolder zijn mensen uit alle windstreken komen wonen. Zij brachten hun cultuur, geloof en dialect mee. Pogingen van de autoriteiten om door culturele activiteiten een eenheid te smeden, leken aanvankelijk succes te hebben, maar strandden in tweede instantie toch op de wens om die activiteiten vanuit de eigen levensbeschouwing vorm te geven. Ook de dialecten hebben zich niet vermengd tot een gezamenlijke, poldereigen variant. In plaats daarvan is het Standaardnederlands de omgangstaal geworden, wat bijzonder is voor een plattelandssamenleving.
 
De Directie stimuleerde met ontspanningsactiviteiten de saamhorigheid onder de pioniers die vanuit de werkbarakken de polder drooglegden. ’s Avonds brachten toneel, cabaret, muziek en film de arbeiders in de kantines ontspanning. Zodra de eerste huizen bewoond waren, ontstond in ieder dorp in de Noordoostpolder een dorpsvereniging, die onder meer met culturele activiteiten de opbouw van een dorpsgemeenschap tot doel had. Opvallend is dat waar bij, en vanuit, de werkkampen nieuwe dorpen ontstonden, de saamhorigheid onder de eerste bewoners het grootst was. Dit bleek bijvoorbeeld uit de eensgezinde verdeling van de bestuursposten over de verschillende geloofsgezindten en een soepeler verloop in de organisatie van activiteiten.

Muziek

Uit de dorpsverenigingen ontsproten de muziekverenigingen, die volgens de Directie bijdroegen aan het samenleven van de verschillende groepen bewoners. Daardoor, vond de Directie, was financiering door de overheid gerechtvaardigd. Helaas bleek de praktijk weerbarstiger. De algemene muziekverenigingen vielen uiteen omdat protestantse en katholieke muzikanten onenigheid kregen over de te spelen stukken, of omdat het publiek wegbleef. De vanaf 1950 opgerichte muziekverenigingen in Marknesse, Ens, Creil, Bant, Rutten en Nagele voegden zich samen, of verdwenen na twintig jaar bestaan.

 Omdat muziekvereniging Valerius uit Urk niet genoeg leden bij elkaar kon krijgen om te spelen op vlaggetjesdag, vroeg men de leden van muziekvereniging Melodia uit Luttelgeest om als Urkers verkleed samen te spelen in Vlaardingen (begin zestiger jaren).

Toneel

Spontaan, zonder inmenging van bijvoorbeeld dorpsverenigingen, deed men aan toneelspelen. In Emmeloord werd in augustus 1945 de eerste algemene toneelvereniging Onder Ons opgericht, die in 1950 overging in de Rederijkerskamer Lely. Twee jaar later ontstond een toneelvereniging voor de protestanten en in 1951 de katholieke toneelvereniging. In de eerste dorpen zoals Marknesse en Ens ontstonden al vrij snel op algemene leest geschoeide toneelclubs. Gestimuleerd door de koster of pater schoten tussen 1950 en 1953 christelijke toneelverenigingen als paddenstoelen uit de grond. En in 1955 werd in Emmeloord een socialistische toneelvereniging opgericht. Een lang leven was deze relatief kleine verenigingen niet beschoren, mede door de opkomst van de televisie. Ook verloren de producties van deze amateurgezelschappen hun publiek aan de opkomende professionele podiumkunsten.
 
Theater 't Voorhuys kwam in 1953, naar een ontwerp van A.D. van Eck, gereed als een multifunctioneel gebouw inclusief schouwburg en beurszaal. Hier de ingang van de schouwburg in 1955 met het bronzen sculptuur De Drie Muzen van J.Bons.

Theater ‘t Voorhuys

In december 1953 werd Theater ’t Voorhuys geopend. In dat theater waren podiumkunsten van professionele makelij te zien. De theaterprogrammering moest voor iedereen wat wils zijn, aldus de Directie. Met deze opdracht ging het bestuur van de pas opgerichte Algemene Kunstkring Noordoostpolder aan de slag.  

Publiek voor het concert van het Overijssels Philharmonisch Orkest in de beurszaal van 't Voorhuys in Emmeloord, 1954.

Interieur van de schouwburgzaal van 't Voorhuys,  1991.
 
Tegenwerking kwam vanuit diverse kanten. De leden van de Maatschappij tot Nut van het Algemene, die in de Noordoostpolder een dependance had, gaven aan dat het aan hen was in plaats van de door de Directie ingestelde Kunstkring om invulling te geven aan de theaterprogrammering.
 
Toneelvoorstelling in hotel-café-restaurant 't Voorhuys, 1954.        
 
Vervolgens begonnen ook de katholieken en protestanten zich in de discussie te mengen met hun pleidooi voor een eigen kunstkring. In november 1954 ontstond de Katholieke Culturele Federatie die grote voorstellingen van Toneelgroep Amsterdam en Toon Hermans naar Emmeloord haalde. Door gebrek aan leden om de programmering financieel en organisatorisch draaiende te kunnen houden, ging deze Culturele Federatie ter ziele.
 
De vertegenwoordigers van de protestants-christelijke zuil wilden de programmering niet los zien van het Evangelie. De voorstellingen moesten beoordeeld worden, voordat die in ‘t Voorhuys getoond konden worden. Maar de uiteindelijk goedgekeurde voorstellingen trokken weinig publiek. Al met al waren de grote publiekstrekkers de stukken die ook in de theaters in Amsterdam in de smaak vielen.

Het glas-in-loodkunstwerk van kunstenaar Jan Meine Jansen werd in 1995 van de sloop gered. Het kunstwerk werd gerenoveerd en hangt sinds 6 oktober 1995 in de Beurszaal van theater 't Voorhuys. De acht panelen van het glas-in-loodkunstwerk beelden de Noordoostpolder in wording uit: vissen, landerijen en scheepswrakken.

In 1995 kreeg de bevolking een volledig vernieuwd Theater ’t Voorhuys. Het theater heeft een bijzondere historie, is zelfs even in particuliere handen geweest, maar werd in 1991 door de gemeente teruggekocht. Na deze aankoop kreeg een gemeentelijke werkgroep opdracht de mogelijkheden te onderzoeken om een nieuwe theateraccommodatie te realiseren. Het vernieuwde theater werd op 16 november 1995 officieel geopend door mr. Pieter van Vollenhoven.

Zicht op de huidige ingang van het theater 't Voorhuys, met op het Cultuurplein ervoor een food & fashion event.

Bibliotheek

Ook door het subsidiëren van de openbare bibliotheek (vanaf 1949) trachtte de Directie de eensgezindheid te vergroten. Maar ook het lokale bibliotheekstelsel ontkwam niet aan de scheiding van geesten en geloven. Vanaf 1955 telde de Noordoostpolder drie protestantse bibliotheken en één katholieke.

Dialect

Over de ontwikkeling van de spontane volkscultuur, buiten verenigingsverband, weten we nog maar weinig. Die onbekendheid geldt weer niet voor de taal. De Amsterdamse fonetica Louise Kaiser wees in de jaren dertig voor het eerst op de bijzondere situatie van de Wieringermeer, waar mensen met zeer verschillende dialecten bij elkaar kwamen te wonen (Kaiser 1936). Zij zette daar een grootschalig onderzoek op. Ook in de Noordoostpolder heeft in de kolonisatiejaren, als een vervolg daarop, taalkundig onderzoek plaatsgevonden (Meertens 1958, Van de Ven 1969). De vraag wat de vermenging van de dialecten had opgeleverd, kon uiteraard pas na de kolonisatiefase beantwoord worden.


Film: "Nederlandse dialecten fragmenten"

Polderbewoner Harrie Scholtmeijer verrichtte daartoe in de tweede helft van de jaren tachtig taalonderzoek in de IJsselmeerpolders. De conclusie van zijn proefschrift (1992) luidde ten aanzien van de Noordoostpolder, dat de ter plaatse geboren generatie over het algemeen accentloos Nederlands sprak. Regionalismen zijn er wel, maar die zijn niet afkomstig van de ouders (hoewel die vaak nog met een stevig accent spreken). Alleen invloeden van het omringende oude land hebben in de poldertaal weten door te dringen, en dan eerder op het niveau van vermeend Nederlands, dan van echt dialect. Voorbeelden zijn: ‘de deur staat los in plaats van de deur staat open, waar kom je weg in plaats van waar kom je vandaan, hij is druk met hooien in plaats van hij heeft het druk met hooien en zij heeft het naar het zin in plaats van zij heeft het naar haar zin. Sommige Nederlanders die als volwassene in de Noordoostpolder zijn komen wonen, stellen dat ze door ontbreken van een door een plaatselijk dialect opgeworpen drempel, gemakkelijker konden integreren. 

De markt als ontmoetingsplaats 1957.

Het in de kampen ontstane ideaalbeeld van samen de polder opbouwen, onafhankelijk van geloof of levensovertuiging, vervaagde zodra de nieuwe bewoners in de dorpen hun levens gingen opbouwen. Toen bleek dat ze niet alleen hun huisraad, maar ook de ideeën en geloven van hun oude stek meenamen. Ieder leefde in zijn eigen groep samen, apart van de andersdenkenden. De lokale overheid juichte meer samenwerking toe, maar slaagde hierin ondanks alle inspanningen maar matig in.