24 - Kunst en cultuur: kunstwerken, monumenten, amateurkunst, musea, theater, schuurfeesten.

 
Na de Tweede Wereldoorlog was het in heel Nederland soberheid troef. Hard werken was het uitgangspunt in deze hersteljaren. Voor ‘luxe’ zelfontplooiing als kunst en cultuur was aanvankelijk weinig aandacht.

Kunstwerken

In 1952 ontving de Noordoostpolder als eerste kunstwerk vier stenen leeuwen. Deze kunstwerken waren afkomstig van de zogenaamde Syphon te Zeeburg. Amsterdam heeft die leeuwen geschonken aan de directie van de Zuiderzeewerken (Noordoostpolderwerken). Op haar beurt heeft de directie ter gelegenheid van het feit dat in 1952 de Noordoostpolder 10 jaar bestond, de leeuwen aan het Openbaar lichaam Noordoostpolder geschonken met het doel er een blijvend monument van te maken ter herinnering aan een periode van noeste arbeid en zo ook de toekomst te symboliseren. De leeuwen werden op de Deel geplaatst op een voetstuk vervaardigd van Bentheimer zandsteen, gevonden in de Noordoostpolder in een scheepswrak uit de zeventiende eeuw. Twee leeuwen bevinden zich nu in Kraggenburg en twee in de Meldestraat in Emmeloord. De maker van de leeuwen is onbekend.

 Het monument van de vier leeuwenbeelden op De Deel, Emmeloord, 1953.

In 1953 volgden De Drie Muzen van kunstenaar Jan Bons op het nieuwe gebouw van theater ‘t Voorhuys. Dit werd mogelijk gemaakt door de zogenaamde eenprocentsregeling van het Rijk.
 

De Drie Muzen van Jan Bons,1953 (zie ook venster 20).

Afscheid van de heer A.D. van Eck, hoofd van de bouwkundige afdeling Rijksdienst IJsselmeerpolders. 1-12-1964.

Via deze regeling zijn in de periode daarna kunstwerken gerealiseerd die veelal bestonden uit glas-in-loodramen in kerken of reliëfs op scholen, kerken en andere openbare gebouwen. In 1964 werd de Stichting A.D. van Eckfonds opgericht met als doel het bijdragen tot de verfraaiing en verrijking van het uiterlijk aanzien van de Noordoostpolder. Met het in het leven roepen van deze stichting heeft de gemeente haar erkentelijkheid willen uitdrukken voor hetgeen het toenmalige hoofd van de bouwkundige hoofdafdeling van de Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders, de heer A.D. van Eck, in de gemeente Noordoostpolder tot stand heeft gebracht. De Stichting A.D. van Eckfonds verwierf 82 beelden; in 2012 is de collectie overgedragen aan gemeente Noordoostpolder. Het totaal aantal kunstwerken is groter vanwege particuliere schenkingen, aanschaf door (dorps)verenigingen of verkregen door de eenprocentsregeling.

   Monument Noordoostpolder ('Ketelhuisje'), van Frans Bolink en Gerard Koopman, baksteen en aluminium, 1994.          

In 1994 werd het eerste markeringskunstwerk voor de Noordoostpolder geplaatst. Het Monument Noordoostpolder bij de Ketelbrug, ook wel het Ketelhuisje genoemd, is ontworpen door de kunstenaars Koopman & Bolink. Het tweede kunstwerk, Boothuis, is in 2010 geplaatst bij Lemmer. Bij de realisatie van de Ramspolbrug is het derde 'Polderhuisje' en laatste markeringskunstwerk geplaatst. Nu staat bij elke hoofdingang (autosnelweg) van de Noordoostpolder een 'huisje'. De wens is geuit om ook een kunstwerk te plaatsen bij de polderingang nabij Vollenhove.

Monumenten

De Noordoostpolder telt meer dan vijftig monumenten die staan ingeschreven in het Monumentenregister van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. De meeste gebouwen op de lijst dateren uit de ontginningstijd van de Noordoostpolder. 

Lichtwachterswoning op de noordpunt van Schokland.

Enkele rijksmonumenten dateren uit de negentiende eeuw. Op Schokland staan een oude lichtwachterswoning, een misthoorngebouwtje, een houten ijsloperschuur en een historische kerk uit 1834 (zie ook venster 5). In het uiterste zuidoostelijke puntje van de polder is nog de lichtwachterswoning van Oud-Kraggenburg te vinden (zie ook venster 6).

Halverwege de negentiende eeuw, als ijsloperschuur (’s lands magazijn) gebouwde opstal op het toenmalige eiland Schokland. Het verplaatsbare houten huisje diende als onderkomen voor de zogenaamde ijsloper. Dit was een boot waaronder glijders waren bevestigd, zodat deze als een slee over het ijs kon worden getrokken. Met de ijsloper werden vooral goederen van het vasteland naar Schokland vervoerd als de Zuiderzee bevroren was, maar ook konden met de ijsloper zieken worden vervoerd. Tegenwoordig is de schuur in gebruik als bergruimte bij het Museum Schokland op de voormalige woonterp Middelbuurt, waar het huisje zich ook oorspronkelijk bevond.

Verspreid door de polder liggen verder een tiental terreinen die vanwege hun archeologische waarde een beschermde status hebben: resten en fundamenten van een middeleeuwse kerk op Schokland zijn hiervan in het landschap zichtbaar.

 Museum Schokland, 1954. Kijkje op een gedeelte van de linkerwand van het museum, met van rechts naar links de heren: Amorides (Spanje); Dr. P.Glazema, Directeur van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek; Antonidis (Griekenland); G.D. v.d. Heide.

Musea

Na het droogvallen bleek de polder een waar archeologisch paradijs. Er werden duizenden bodemvondsten gedaan. Naast (pre)historisch aardewerk en werktuigen, gaf de polderbodem zelfs complete scheepswrakken prijs (zie ook venster 1). De eerste jaren werden de bodemschatten in Kampen ondergebracht. Al snel werd gedacht aan de oprichting van een museum in de Noordoostpolder. Het oog viel daarbij op de historische kerk op het drooggevallen eiland Schokland. In 1947 opende hier een nieuw oudheidkundig museum zijn deuren. De huidige houten museumgebouwen werden in 1980 gebouwd. In 1987 werd Museum Schokland door de Rijksoverheid aan gemeente Noordoostpolder overgedragen voor het symbolische bedrag van één gulden. Met de plaatsing van het eiland Schokland op de prestigieuze Werelderfgoedlijst van UNESCO in 1995, kreeg dat museum meer uitstraling. De in 1961 opgerichte vereniging Vrienden van Schokland ondersteunt het museum, maar richt zich tegenwoordig ook op de geschiedenis van de hele Noordoostpolder.

Luchtfoto van Museum Schokland op de terp Middelbuurt, Schokland, 2010.

Museum Nagele is het tweede museum dat de polder rijk is. Het werd in 1998 geopend als gevolg van een initiatief vanuit de bevolking van Nagele. Museum Nagele wordt gerund door een zelfstandige stichting waarin ruim tachtig vrijwilligers uit de lokale gemeenschap actief zijn. De vaste presentatie belicht het ontstaan en de bijzondere architectuur van dit modernistische modeldorp voor de Noordoostpolder (zie ook venster 15). 

Museum Nagele.

Amateurkunst

Nadat de werkers van het eerste uur zich gevestigd hadden in de Noordoostpolder, kwam al snel de behoefte aan diverse (amateur)kunstuitingen, al dan niet in verenigingsverband. Zo kwamen in de dorpen toneel- , muziek- en zangverenigingen tot stand. De rol van de overheid was hierin faciliterend. Men volstond met het bouwen van een theater en dorpshuizen. De invulling van de culturele activiteiten liet men grotendeels aan de bevolking over.

 Opera- en operettevereniging LaMascotte heeft sinds haar oprichting in 1980 zo'n dertigtal producties verzorgd, o.a. "De Ontruiming van Schokland".

In de loop der jaren veranderde dit: opeenvolgende gemeenteraden begonnen in te zien dat ook culturele activiteiten belangrijk zijn voor de inwoners. In 1962 werd de aanzet gegeven tot het opzetten van een muziekschool, gevestigd aan de Moerasandijviestraat. Een aantal jaren later werd het lessenpakket uitgebreid met cursussen pottenbakken en weven. De belangstelling voor de ’ School voor muzikale en culturele vorming’ was groot. De gemeenteraad nam in 1973 het besluit een nieuwe accommodatie te bouwen. In 1975 werd het Muzisch Centrum geopend; een van de eerste instellingen in Nederland waar een geïntegreerd pakket kunstzinnige vorming werd aangeboden. 
 
De jongste balletdanseressen van het Muzisch Centrum bij het nieuwe beeld van het danseresje.

Vanaf die tijd was er een samenspel met de amateurverenigingen: toneel en muziek. In enkele dorpen werden dependances opgezet om de deelname aan lessen c.q. de plaatselijke verenigingen te vergroten. 

Theater

Na de oorlog ontstond in Emmeloord al spoedig behoefte aan een gemeenschapscentrum. Door de Rijksdienst werd een houten gebouw neergezet: het Bondscafé-restaurant De Beurs. Een toepasselijke naam, want iedere donderdagochtend werd hier de landbouwbeurs gehouden. Het culturele leven kwam daar op gang. In een zaal die plaats bood aan 700 personen werden cabaret, toneel, lezingen en dansavonden georganiseerd. De zaal diende tevens als bioscoop.

Opening van 't Voorhuys'; Dr.ir. S. Smeding slaat op de gong, 1953.
 
  Hotel-café-restaurant 't Voorhuys te Emmeloord.

Op 1 mei 1953 werd de eerste steen gelegd van hotel-café-restaurant en theater ’t Voorhuys (zie ook venster 20). De exploitatie van het theater bleef een zorgenkind. In de jaren tachtig namen de financiële problemen dermate toe (onder meer door het sterk verouderde gebouw) dat de theaterprogrammering minimaal was.

Film: Tulpenlied door basisschool De Triangel in theater 't Voorhuys.

In 1988 kocht de gemeente het theater terug van de exploitant van het complex. In september 1995 werd het vernieuwde gebouw geopend. De exploitatie van het horecagedeelte kwam in handen van een nieuwe ondernemer, die van het theatergedeelte in handen van Stichting Theater ’t Voorhuys. Met de bioscoopvoorstellingen trekt het theater jaarlijks ca. 65.000 bezoekers. In 2010 werd de bioscooptaak overgenomen door een externe exploitant. 

Schuurfeesten 

Jongeren zoeken van oudsher hun eigen weg. Op zoek naar nieuwe vormen van vrijetijdsbesteding ontstond in de jaren zeventig in het nieuwe polderland een uitgaansalternatief in de vorm van de zogenaamde schuurfeesten. Met aanvankelijk als concept: een grote ruimte, bier en frisdrank, muziek, een laag entreebedrag en verder gratis drinken, bleek een feest al snel geslaagd. Schuurfeesten groeiden echter uit tot jaarlijks terugkerende evenementen met soms meerdere bandoptredens. Bezoekersaantallen van 1200 personen waren geen uitzonderingen meer. Op het gebied van horeca-, veiligheid- en belastingwetgeving zwom de schuurfeestorganisator vaak door de mazen van de wet. De gevestigde professionele horeca begon een politiek en juridisch tegenoffensief. Zij kregen de lokale politiek mee, die zorgen had over de veiligheid van deze ‘wilde’ feesten.
 
Schuurfeest Big Borrel 2006.

Schuurfeesten zijn nu uitsluitend nog toegestaan voor een ‘besloten club’. En er moet een horecaondernemer met vereiste vergunningen bij betrokken zijn. De huidige feesten aan de buitenwegen zijn professioneler en veiliger. Van een frequentie van enkele tientallen per jaar, zijn de jaarlijkse schuurfeesten thans nog op twee handen te tellen. Maar nog steeds zoeken duizenden polderjongeren daar vertier.