Bestellen 'Boek 75 jaar droog' (2de druk!)

Boek Voorkant

Nieuwsbrief augustus

nieuwsbrief

Zoeken

Kies uw taal

1 - Prehistorie: sporen van ijstijden en resten van bewoning

De Noordoostpolder bestaat in 2012 officieel zeventig jaar, maar de historie van het gebied gaat veel verder terug. Fascinerend om te weten is dat er na de voorlaatste ijstijd in de prehistorie al mensen naar dit gebied trokken. Dat was toen nog een moerassig terrein, met veel zandduinen. In de huidige Noordoostpolder zijn veel overblijfselen gevonden uit die periode.

Swifterbantmensen bewoonden zesduizend jaar geleden het gebied dat nu Flevoland heet. De fotot toont de zogenaamde hoofdman van Swifterbant. Het skelet heeft een hoofdtooi van barnstenen kralen.

In de voorlaatste ijstijd bedekten ijsmassa's Nederland van Amsterdam tot Nijmegen. Door het vooruitschuiven van deze ijsmassa's vormden zich de Utrechtse Heuvelrug en de Veluwe. Het smeltende ijs liet massa's stenen na in het noordelijk deel van Nederland. Restanten daarvan, eindmorenen, zijn te vinden op Urk, Schokland en bij Vollenhove. Hierbij is keileem, een mengsel van keien, grind, zand en leem, gevormd. Vanwege zijn ondoordringbaarheid voor water is keileem een ideaal materiaal voor de aanleg van dijken.

Laatste ijstijd 

Meer dan 70.000 jaar geleden, in de beginperiode van de laatste ijstijd, jaagden op de toendravlakte neanderthalers op rendieren, muskusossen en zelfs op mammoeten. Uit het Ketelmeer bij Dronten kwam een vuistbijl van hen tevoorschijn. De koudste periode lag tussen 21.000 en 18.000 jaar geleden. Ons gebied was permanent bevroren (permafrost). Waar wij nu leven was toen een poolwoestijn: massa's zand verplaatsten zich door de wind en bedekten het hele gebied. Op sommige plaatsen werd dit zogenaamde dekzand meters dik afgezet. Door het koude klimaat was de hele zuidelijke Noordzee drooggevallen. Hier leefden diersoorten die nu uitgestorven zijn, zoals de wolharige neushoornwolharige mammoet, steppeleeuw en holenleeuw.

Reconstructie van een snuivende wolharige neushoorn; schofthoogte 140 cm.

In de laatste periode van het weichselien, zoals deze periode heet, kwamen de eerste bewoners hier wonen. Deze nomaden waren rendierjagers, verzamelaars en vissers. Bij Kuinre en Schokland zijn daarvan kampen teruggevonden. 

Wolharige mammoet.

Na de ijstijden het holoceen

Na de ijstijden steeg de zeespiegel weer door het smelten van de ijskappen. Tussen 9.000 en 5.500 v. Chr. steeg de zeespiegel zeer snel. Door smeltend ijs liep het Noordzeebekken vol water. Een groot deel van ons land overstroomde. Er vormden zich grote moerasgebieden. Daardoor ontstonden veenvorming en veenmoerassen. Rivieren en stroompjes doorsneden het gebied. Het warmere klimaat en het veranderend landschap gaven jagers-verzamelaars meer mogelijkheden om te overleven. Ze woonden bij rivieren en stroompjes op rivierduinen en dekzandkoppen en gebruikten natuurlijke bronnen voor levensonderhoud: dennen en berken werden gekapt voor de productie van houtteer (teer verkregen door de afbrekende destillatie van hout). Dit teer gebruikten ze voor het vastzetten van vuurstenen pijlpunten aan een schacht. Het werd steeds warmer en de vegetatie veranderde daardoor. Na 3850 v. Chr. zette de stijging van de zeespiegel langzaam door.

Swifterbantcultuur

Tussen 5500 en 3850 v. Chr. breidde in Noord-Nederland het veengebied zich enorm uit. Eén van de grotere rivieren die hier doorheen liepen was de Overijsselse Vecht. Stroompjes en geulen waterden hier op af. Op oeverwallen, rivierduinen, dekzandruggen en keileembulten vestigden zich de eerste mensen in deze streek. 
 
Swifterbantmensen leefden van jacht, visvangst en het verzamelen van voedsel en andere grondstoffen. In de jaren vijftig van de 20e eeuw werden hiervan de eerste vondsten rond Schokland gedaan.

Toen in de periode tussen 1962 en 1977 rond Swifterbant diverse nederzettingen en twee grafvelden werden opgegraven, werd deze cultuur naar de vindplaats genoemd. Deze cultuur kenmerkt zich vooral door aardewerkpotten met spitse bodem. De Swifterbantmens ging van jagen en verzamelen ook over op landbouw: zo werd op kleine akkertjes emmertarwe en naakte gerst verbouwd.Deze cultuur eindigde door een zeespiegelstijging.
 
Film: Vondst Swifterbantskelet op vindplaats 5.

Trechterbekercultuur 

Na het verdwijnen van de Swifterbantcultuur ontstond in deze regio de Trechterbekercultuur. Trechterbekercultuur is een verzamelbegrip. Er was een groot aantal met elkaar verwante gemeenschappen in de Nieuwe Steentijd (neolithicum) wonend in het gebied vanaf zuidelijk Scandinavië tot en met Noord-Europa. Deze groepen lieten onder meer hunebedden achter. In de hunebedden zijn bekers gevonden. De Trechterbekercultuur en daaropvolgende vergelijkbare culturen als de Enkelgrafcultuur en Wikkeldraadcultuur vormden een overgangsfase naar de Bronstijd. 

3.700 jaar oude afdrukken van koeienpoten gevonden bij Schokland, 1987.

Bronstijd

In 1950 vond archeoloog Gerrit van der Heide tijdens het graven van een kavelsloot aardewerk, vuurstenen, artefacten, natuursteen en botmateriaal. Deze locatie is nu bekend als Bedrijvenpark A6. In 2000 en 2001 werden er opgravingen gedaan: men vond onder meer nederzettingsafval. Uiteindelijk resulteerde dit in de vondst van 11 visweren en 48 fuiken in een geul in de buurt van het huidige Emmeloord. Verder werden er ook ‘losse' vondsten gedaan, onder meer een hielbijl en een lanspunt.Een van de genoemde visweren was wel vijftig meter lang en bestond uit ongeveer 120 palen: de grootste prehistorische visweer van Europa. Deze vondsten stammen uit de periode 2000-1800 v. Chr.

 

IJzertijd (700 -12 v. Chr.)

Na het droogvallen van de Noordoostpolder werd in de buurt van het huidige Kuinderbos een boomstamkano gevonden. Onbekend is uit welke periode deze stamt. Helaas is deze kano verloren gegaan. In 2003 werd er tijdens de aanleg van het Kadoelerveld een beschadigde boomstamkano aangetroffen. Deze kano had nog een lengte van ongeveer vijf meter en een breedte van 0.7 meter en is gevonden in een zijkreek van de Overijsselse Vecht. Hij is tussen 520 en 460 v. Chr. uit een zeshonderd jaar oude eik gehakt. Vondsten uit deze periode zijn zeldzaam.

 Boomstamkano in het Kadoelerveld. Op 4 september 2003 is door een medewerker van Natuurmonumenten een eiken boomstamboot aangetroffen in het Kadoelerveld. De boot is goed gebruikt en gesleten. De boot vertoont een uitgespaarde dwarsrichel; tevens zijn in de bodem twee kleine verhogingen uitgespaard.

Romeinse tijd (12 v. Chr – 401 n. Chr.)

Met de komst van de Romeinen eindigde de prehistorie van Zuidelijk Nederland; in het noorden bleef alles voorlopig bij het oude.

Kaart van Nederland in Romeinse tijd. Tekening van de Utrechtse jurist en oudheidkundige Arnoldus Buchelius (1565- 1641).

Romeinse vondsten zijn hier vrijwel zeker pas in latere perioden terecht gekomen. Er is een tegel van het 30e legioen uit Xanten (bij Nijmegen) gevonden, evenals een fibula (mantelspeld). Voor het begin van de jaartelling slibde de afwatering naar de Noordzee dicht waardoor het waterpeil steeg en het Flevomeer (Mare Flevum) ontstond. De enige vondst in situ (gevonden op de oorspronkelijke plaats van gebruik) was een geelachtig kannetje, ten noordoosten van Schokland. Datering van deze vondst is 220 na Chr. In Museum Schokland zijn veel vondsten te bezichtigen. Op loopafstand daarvan ligt de Gesteentetuin, met bezoekerscentrum. Sommige stenen zijn gevonden door boeren, tijdens grondwerkzaamheden op hun akkers. De Gesteentetuin biedt, net als het P. van der Lijn-reservaat bij Urk, veel informatie over het ontstaan van stenen en de ijstijd.