Bestellen 'Boek 75 jaar droog' (2de druk!)

Boek Voorkant

Nieuwsbrief augustus

nieuwsbrief

Zoeken

Kies uw taal

2 - Flevo en Almere: moeras en meren (0-1200 na Chr.)

De Noordoostpolder is een IJsselmeerpolder, aangelegd dus in het IJsselmeer, dat in 1932 is ontstaan door afsluiting van de Zuiderzee. Maar ook die Zuiderzee, waarover het in venster 3 zal gaan, is er niet altijd geweest. Er is zelfs een tijd geweest dat hier helemaal geen zee was, maar grote stukken land, waar mensen woonden. Bij de Zuiderzeewerken is op de keper beschouwd geen land veroverd op de zee, maar heroverd. In het zuiden van het Zuiderzeegebied bevond zich rond het begin van onze jaartelling het meer Flevo. In het noorden, waar de rivier Flevum door een groot laagveengebied stroomde, was moerasachtig land. In de 4e eeuw na Chr. werd dat land door de slechte afwatering onbewoonbaar. Maar toen de zee zich rond het jaar 1000 terugtrok, kwam land boven dat weer bewoond werd. In de 13e eeuw verdween ook dat gebied, en werd het Almere (zoals het Flevomeer was gaan heten) Zuiderzee.

Van de vroegste bewoning van het Zuiderzeegebied zijn alleen archeologische resten overgeleverd (zie venster 1). Pas de Romeinen, die hier rond het begin van de jaartelling kwamen, gaven de eerste beschrijving van dat gebied. Wat zij zagen was een rivier die een noordelijke vertakking van de Rijn vormde. Die rivier noemden zij Flevum. In het zuiden van het latere Zuiderzeegebied had die rivier zich verbreed tot een meer dat Flevo lacus werd genoemd, ‘meer aan het Flevum’. Deze verbogen vorm van Flevo is gebruikt voor de naam van de polders Oostelijk en Zuidelijk-Flevoland, die ongeveer liggen waar vroeger dat meer was.

Een groot veenlandgebied

Het water stroomde uit dat grote meer Flevo in een kleiner meer, dat zich bevond waar nu de zuidoostelijke hoek van de Noordoostpolder is, dus ten westen van Vollenhove. De zuidwestelijke helft, inclusief Schokland en Urk, vormde onderdeel van een groot veenlandgebied, dat aan het vasteland vastzat. Ten noorden van dat 

Gedeelte uit “De geschiedenis van Eiland Urk” van C. de Vries

veenlandgebied was ook weer een meer, zodat dat veenlandgebied een schiereiland vormde. Later werd dit een echt eiland, toen het water van het Flevum ook aan de andere zijde van Urk doorbrak. Misschien was dat eiland het eiland Flevo, waar de Romeinen ook over schreven (‘eiland aan het Flevum’), maar helemaal zeker is dat niet. Als het eiland Flevo inderdaad het laagveengebied in het midden van de latere Zuiderzee was, dan heeft ook de oude nederzetting Nakala erop gelegen, en zelfs nog Espelo en Ruthne.

Naderhand zijn dat wellicht aparte eilanden geworden, toen het water al hoger kwam. De rivier Flevum had zich toen ook in het noordelijke Zuiderzeegebied al verbreed tot enkele meren.

Flie of Vlie

De inheemse bewoners van de streken rond de rivier Flevum en het meer Flevo, en van het eiland Flevo spraken een Germaanse taal. In die taal heette Flevum Flie of Vlie. De beginmedeklinker varieert bij de latere schrijvers, zoals deze ook in de huidige dialecten nog altijd varieert.

Nog altijd verlaat het water van het IJsselmeer de Waddenzee via de Vliestroom, langs het eiland Vlieland. Flevoland en Vlieland zijn dus in wezen dezelfde naam, alleen heeft de eerste een Latijns element, en de tweede een Germaans element. De naam Vlie of varianten daarvan komen we ook nog tegen in Flehite, de oude benaming voor het lage land rond Amersfoort, Fela Oua (gouw aan de Vlie; hieruit is Veluwe ontstaan) en Fulnaho (hoogte aan de Vlie; Fulnaho is de oude naam voor Vollenhove).

Veenlandschap 

Naturalis Historia

De Romeinen die over Flevum schreven hadden het niet zo op dit water: "als ze ’s nachts met hun boten stil lagen in het meer, kon het zo maar gebeuren dat een drijvend eiland, soms met bomen en al, de boten raakte", zo schrijft Plinius in zijn Naturalis Historia.

De Romeinen die over Flevum schreven hadden het niet zo op dit water: als ze ’s nachts met hun boten stil lagen in het meer, kon het zo maar gebeuren dat een drijvend eiland, soms met bomen en al, de boten raakte, zo schrijft Plinius in zijn Naturalis Historia.

Men kan zich voorstellen dat dit de Romeinen angst inboezemde. Het is ook een bewijs dat de slappe veengrond al in de Romeinse tijd aan het wegspoelen was, en dat ging naderhand door, vooral in tijden van stijgende waterstand. Zo’n periode van stijgende waterstand wordt transgressie genoemd. De eerste transgressieperiode liep van 250 na Chr., toen de Romeinen hier nog waren, tot 600. Ook tussen 850 en 1000 is er een transgressie geweest. Op zijn laatst in deze periode, maar misschien al eerder, werden Urk en Schokland van elkaar gescheiden.

Afbeelding toont een doorsnede door een rivierduin aan de zuidpunt van Schokland. Het duinzand heeft een geelbruine kleur. Daarboven door bodemzuren uitgeloogd zand. Op het zand ligt een donkerbruin veenpakket. Een grijs, schelprijk kleipakket (verploegd voor de landbouw) dekt zowel het veen als de rivierduin af. Dit kleipakket is een Zuiderzeeafzetting.(uit "De ondergrond van Schokland" door Ronald van Balen, 2008)

Een ‘heel groot meer’

Door de transgressies breidde het meer Flevo zich uit. Het groeide met de verspreide meren ten noorden daarvan uit tot een veel groter meer, het Almere, waarvan de meest voor de hand liggende etymologie is: ala mere, ‘heel groot meer’. Rond het jaar 1000 trok het water zich echter terug. De achtergebleven kleiresten vormden een wat hogere laag waar begroeiing plaatsvond. Het Woud van Ongenade en de bomen die teruggevonden zijn bij de Bomenweg (en die wellicht tot dat woud behoorden) zouden uit deze periode kunnen stammen. En ook de mens is dat kleidek gaan koloniseren. In de middeleeuwen hebben in het Noordoostpoldergebied verschillende (zeer kleine) nederzettingen gelegen, waarvan de naam soms nog voortleeft in de huidige dorpsnamen. Buiten dat gebied hield het dorp Espel, ten (noord)westen van Urk, het zelfs tot de 16e eeuw vol. Maar toen was het Almere al opgegaan in de Zuiderzee.